|
Hommel informatie
De levenscyclus van de hommels is een gevarieerd geheel. Allereerst
kruipt de hommelvorstin al in de tweede helft van maart uit haar
vaak ondergrondse "winterslaapzak"
Dan worden de reeds bloeiende planten en struiken met een bezoek
vereerd, zoals crocussen, sneeuwklokjes, ribes, sleedoorn, wilg en
hazalaar.
Het gaat dan voornamelijk om de nectar en het stuifmeel. (Nectar
voornamelijk voor de levering van energie (suiker) en het stuifmeel
is zeer eiwitrijk, wat weer belangrijk is voor de eierproduktie.
De hommelkoningin maakt een soort broedkamer met daarin een
voorraadpotje (dit wordt gemaakt van schilfers was, die worden
afgescheiden door klieren tussen de schildplaten bij het achterlijf.
In dit voorraadpotje wordt de nectar bewaard. Dit appeltje voor de
dorst wordt gebruikt als het slecht weer is en er niet kan worden
uitgevlogen.
In de babykamer worden eerst 8 á 10 eitjes gelegd. Deze eieren
worden door de toekomstige koninginmoeder zo warm mogelijk gehouden.
Ze broedt als het ware de eitjes uit.
Uit dit broedpakket ontstaan pootloze larven, die voornamelijk
gevoed worden met in nectar gedrenkt stuifmeel.
Na een aantal vervellingen spint elk larfje een zijden cocon en
verpopt zich daarin tot werkster. In het begin van het seizoen is
het aantal werksters nog erg klein, later komen er steeds meer
"arbeidsters" die zich met het welzijn van de larfjes gaan bemoeien.
De koningin legt dan ook veel meer eieren dan in het begin van het
seizoen. Zodanig dat er een goed evenwicht ontstaat tussen vraag en
aanbod van voedsel. Wanneer de larven steeds meer voedsel krijgen,
stellen zij het verpoppen uit. Het gevolg is dat ze steeds groter
worden. Uiteindelijk moeten zij zich wel verpoppen en zie daar de
nieuwe generatie vorstinnen.
De darren die onbevrucht ter wereld komen leveren zelf weer de
zaadcellen die er voor zorgen dat volgend jaar hun dochters worden
geboren.
Wanneer tenminste hun vorstelijke partner de winter overleeft. Want
gemiddeld weet slechts zo'n twee procent der koninginnen te
ontsnappen aan de ijzige greep van koning Winter
In Nederland en België komen ongeveer twintig hommelsoorten voor, ze
zijn vooral makkelijk te herkennen aan hun kleurenpatroon.
Vaak hebben hommels maar ook bijen en wespen een vacht met de
kleuren geel en zwart. Dit zijn signaalkleuren, kleurcombinaties die
potentiële vijanden moeten afschrikken. (Mocht dit niet voldoende
zijn dan hebben de dames ook nog een gladde angel om zich te
verdedigen.)
Hommels hebben een zeer harige vacht. Hierachter blijft veel
stuifmeel hangen bij hun veelvuldig bloemen bezoek. (Doordat de wind
steeds door hun haren strijkt, worden deze haren geladen met
statische elekticiteit en daardoor wordt hun vacht één grote
stuifmeelmagneet)
De eetgewoontes van hommels zijn van onschatbare waarden voor de
bestuiving van planten. Gemiddels zijn hommels uren langer per dag
bezig met het verzamelen van voedsel dan honingbijen en per uur
bezoeken ze twee tot driemaal zoveel bloemen.
De lengte van de hommeltongen kan per soort verschillen. Dit heeft
tot gevolg dat er per soort andere bloemen bezocht kunnen worden.
(Want voor de ene is de nectar wel en voor de andere niet
toegankelijk). Dit heeft tot gevolg dat er minder onderlinge
concurrentie is. Sommige hommels omzeilen dit probleem en bijten aan
de onderkant van de bloem een gaatje en zo kunnen ze gemakkelijk bij
de nectar komen. Zo geldt ook in hommelland wie niet sterk is moet
slim wezen. |